
Wet op de jeugdzorg
Hoofdstuk VIII. Toezicht
Artikel 47
| 1 | Er is een Inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en die tot taak heeft:
|
| 2 | Met de taken, bedoeld in het eerste lid, zijn belast de ambtenaren van de inspectie. |
| 3 | De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht . De artikelen 5:12 , 5:13 , 5:15 , 5:16 , 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaren, belast met de taak bedoeld in het eerste lid, onder a. |
| 4 | De ambtenaren van de inspectie nemen bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, de aanwijzingen van Onze Ministers en bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder b, de aanwijzingen van gedeputeerde staten van de betrokken provincie in acht. Bij de vervulling van de taak bedoeld in het eerste lid, onder c, nemen zij de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie in acht en bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder d, die van Onze Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. |
| 5 | De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, uit eigen beweging of indien het onderzoeken betreft met betrekking tot de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, op verzoek van Onze Ministers en met betrekking tot de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de raad voor de kinderbescherming, op verzoek van Onze Minister van Justitie. Onderzoeken in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden uit eigen beweging verricht of op verzoek van Onze Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. |
| 6 | De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid onder b uit eigen beweging of op verzoek van gedeputeerde staten van de betrokken provincie. |
| 7 | De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder c, uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van Justitie. |
| 8 | De inspectie brengt van haar bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en kan daarbij voorstellen doen tot verbetering van de kwaliteit. De inspectie stelt het betrokken overheidsorgaan schriftelijk op de hoogte van haar bevindingen. |
| 9 | De inspectie stelt Onze Ministers van haar bevindingen ten aanzien van bureaus jeugdzorg en zorgaanbieders op de hoogte indien zij van oordeel is, dat toepassing moet worden gegeven aan art. 17. |
| 10 | De inspectie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. In het verslag doet zij de voorstellen die zij in het belang van de jeugdzorg nodig acht. Het verslag wordt gezonden aan de provinciebesturen, Onze Ministers en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. |
| 11 | Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de organisatie van de inspectie. |
Laatste update: 15-Jul-10 18:33